Toelichting werk

Ik benader het schilderen als een samenstelling van lichaam en geest. Het lichaam staat voor het materiële. De geest als de gedachte, het idee, de roeping, de bestemming. Als beeld komen ze samen in het schilderij. Het schilderij bestaat uit formele, informele, intentionele en spirituele aspecten.

De formele aspecten worden allereerst bepaald door de drager (doek, papier of paneel, geprepareerd of ongeprepareerd) en het formaat (klein, middel of groot) en het materiaal olieverf. De keuze van drager, formaat en materiaal liggen aan de basis van het uiteindelijke aura of uitstraling van het werk. De uitstraling van het werk kan bewegen tussen groots, klein, monumentaal en poëtisch. Maar altijd vanuit een persoonlijke overgave en intimiteit.

Ik werk zowel op kleine als grote formaten. De kleine formaten bieden een handzaamheid die gelezen kan worden als gedachten, gesprekken, brieven of aantekeningen. De grote formaten kunnen eerder gelezen worden als een roman of gehoord als een symfonie. Door dit zo uit te drukken geef ik de overeenkomsten aan tussen het beeld, de taal en de muziek.

De volgende formele elementen die structureel deel uitmaken van het geheel zijn het materiaal en de handeling.

Ik schilder met olieverf. De redenen hiervoor zijn de kunsthistorische traditie en traagheid van het materiaal. Olieverf is ontstaan in de vroege middeleeuwen en de Renaissance. De gebroeders van Eyck hebben het materiaal ontwikkeld om de glorie van de schepping te kunnen bezingen. Ik maak nog steeds gebruik van het kleurenpalet dat zij ontwikkeld hebben en in mijn schilderkunstig onderzoek en ontwikkeling zoek ik naar een gelijkaardige betekenis van kleur en kleurverhoudingen.

Medebepalend voor de keuze olieverf is de materiële aanwezigheid en traagheid van het materiaal. De materiële aanwezigheid krijgt haar betekenis in de kleurverzadiging en de mogelijkheid tot verdunning en verdikking. Het kan zowel vluchtig als vettig gebruikt worden. De olieverf kan glimmen en mat zijn. De olieverf als schildersmateriaal heeft dusdanig veel eigenschappen en mogelijkheden dat ze voor mij een metafoor voor het mysterie van de schepping is.

De traagheid van de olieverf, het verzadigingsmoment en de droogtijd, dwingen me om de tijd integraal onderdeel van het schildersproces te maken. De uitspraak: “Tussen idee en uitvoering bevinden zich wetten en praktische bezwaren”, illustreert dit proces. Het onbekende, het onvoorziene en de vrijheid vormen de grond van mijn schilderkunstig handelen.

Tot hier heb ik de formele en intentionele elementen beschreven waaruit het schilderij bestaat, het lichaam van het schilderij, de materie. Om de schier oneindige, onuitputtelijke bron die hierin aanwezig is hanteerbaar te maken beperk ik mij in het handelen tot de horizontale en verticale beweging. Men kan hierin de metafoor voor het kruisteken lezen. In naam van de vader, moeder, zoon, dochter en geheiligde geest. In de handeling komt de bestemming tot uitdrukking.

In het werkproces, het samenspel van drager, materiaal en handeling, ontstaan abstracte, gelaagde en levendige kleurvlakken. Ze komen in een poëtisch geladen aanwezigheid tot verstilling en betekenis.

Op dit punt aangekomen wil ik kort dieper ingaan op het geestelijk aspect van mijn beeldend werk. De informele en spirtuele aspecten van mijn schilderen. In mijn schilderen stel ik existentiële en schilderkunstige vragen over tijd, ruimte, geboorte, leven en dood aan de orde. Mijn voeding vind ik in kunsthistorische, filosofische, vroegmiddeleeuwse mystieke teksten en psychologische modellen.

De kunstgeschiedenis heb ik leren kennen tijdens mijn propedeuse kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Vanaf die tijd ben ik me altijd bewust geweest van de historische betekenis van kunst als een projectie van het menselijk zijn in de tijd. Het zijn met name de Vlaamse primitieven en het modernisme, waaronder de Bauhaus beweging met een sterke spirituele achtergrond (Kandinsky, Mondriaan) en het Suprematisme (Malevitsch), die mij inspireren. Maar ook de abstract expressionistische ontwikkelingen (De Kooning, Pollock, Newman, Rothko), colourfield painting (Stella, Kelly) en het werk en leven van Joseph Beuys hebben me beïnvloed.

Later heeft mijn interesse zich verbreed naar de geschiedenis van de filosofie om te leren begrijpen hoe het denken ons handelen beïnvloedt. Ik wil vooral de denkers Friedrich Nietzsche, Emanuel Levinas, Martin Heidegger en Giorgio Agambe noemen. Het denken van Nietzsche over de moraal, het geweten en al haar aarzelingen en falen. Levinas over hoe het gelaat van de ander een appel op ons doet. Het denken van Heidegger over het denken zelf, het gereedschap (of werktuig) en de betekenis die dit heeft voor ons werken. De betekenis van Agamben over de plaats van de religie in relatie tot het individu en maatschappelijke ontwikkelingen in onze huidige tijd.

In mijn opleiding en werk als beeldend therapeut heb ik psychologische modellen leren kennen en hoe deze modellen helpen bij de duiding van maatschappelijke fenomenen en de mogelijkheden en weerstanden bij persoonlijke ontwikkelingen. De modellen die hierbij een speciale betekenis voor mij hebben zijn de psychoanalyse van Jacques Lacan. Hij beschrijft de ordes van het imaginaire, het symbolische en het reële als grond voor hoe wij mensen elkaar in onze ontwikkeling spiegelen, elkaar begeren en hierin tekortschieten. Tegenwoordig wordt dit model met name door Paul Verhaeghe ingezet om de huidige tijd psychologisch te duiden. Hij stelt de vraag naar de betekenis van de individualiteit, intimiteit en autoriteit in psychologische zin.

Zeker ook wil ik als inspiratie en leerschool de beeldende therapie benoemen waarvoor ik van 2003 tot 2007 een opleiding gevolgd heb aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Vanaf 2007 tot nu heb ik als therapeut in de verslavingszorg (alcohol en medicijnen) gewerkt voort Bethanië geestelijke gezondheid, Zoersel (BE).

Hier aangekomen wil ik de vroeg middeleeuwse christelijke mystieke teksten noemen. Sinds jong heb ik een hang naar het mystieke en religieuze gehad. Het had weinig gescheeld of ik was monnik geworden. De voor mij belangrijkste monniken en schrijvers zijn, Bernardus van Clairvaux, Aelred van Rievaulx, Willem van St. Thierry, Meister Eckhart en in hun spoor de eigentijdse monnik Thomas Merton. In deze teksten vind ik een stevige grond voor mijn religieus bewustzijn in relatie tot praktisch leven en werken. Het zijn voornamelijk cisterciënzer monniken die met hun motto ‘ora et labora’ (bid en werk), waarbij bidden werken is en werken bidden, me steunen in het zoeken naar een eerlijke, eenvoudige en vervullende levenswandel. Ik wil één voor mijn werk bepalende invloeden van Bernardus van Clairvaux benoemen. Hij wilde dat er zo min mogelijk beelden in de abdijen aanwezig zouden zijn. Deze zouden enkel afleiden van de taak om God te ontmoeten. Dit idee van het beeldloze beeld, dat op vele plaatsen in de mystieke literatuur terug te vinden is, kan als een leid motief in mijn schilderen gezien worden.

Het is ook in de mystieke teksten dat ik het verband kan ontdekken tussen religie, filosofie, psychologie en kunsthistorie. De religie als het hoogste streven, de filosofie als het ontpuzzelen van het denken, de psychologie als het begrijpen van voelen, denken en handelen en de kunstgeschiedenis als de projectie van het mens zijn in beelden.

Mijn schilderen is de neerslag van mijn persoonlijke ervaringen, van jeugd tot ouder worden, van alleen zijn en relaties, van studie en werk. Elk stadium in de ontwikkeling die ik als persoon en in mijn werk als geheel doormaak, getuigt ervan hoe ik gaandeweg, stap voor stap, in een traag proces, bewust wordt van mijn mens zijn en het probeer te ontginnen en tot wasdom te brengen.

‘Schilderen is een traag proces dat zich voltrekt met de snelheid van het licht’. (George Meertens)


 

Presentaties en performances

Elk schilderij dient op zichzelf te kunnen staan.

De werken komen tot stand in series waarbij zij onderling een verhouding aangaan en tot verhaal en betekenis komen. In de tijd heb ik geleerd om deze series met elkaar te combineren, te presenteren en te publiceren.

In mijn presentaties zoek ik in de samenstelling van het geheel naar manieren waarop de afzonderlijk gepresenteerde werken met elkaar en de ruimte een evenwichtige en betekenisvolle relatie aan kunnen gaan. Mijn doel is om de beschouwer op deze manier dusdanig aan zintuiglijke impulsen bloot te stellen dat er subtiele innerlijke verschuivingen in werking worden gezet. Met deze verschuivingen wil de innerlijkheid in beweging zetten, bewust maken en eren.

Ik noem hier de serie werken onder de titel ‘Sublacus’ die met catalogus gepresenteerd is in De Pont Museum, Tilburg (2011).

Daarnaast de serie met de titel ‘Loutering’ die gepubliceerd is in een exclusief boek in een oplage van vijftig exemplaren. De schilderijen en het boek zijn gepresenteerd in tentoonstellingsruimte Park, Tilburg (2016). Tijdens de presentatie was er een publieksprogramma waarin een gesprek plaatsvond met Rebecca Nelemans en enkele schrijvers en makers van het boek. Na het gesprek werd het publiek uitgenodigd om een werk te kiezen en vijftien minuten te bekijken en te zien wat er van binnen gebeurde. De uitwisseling die hierna plaatsvond leverde enkele aansprekende persoonlijke belevenissen op.

 

Ook wil ik de tentoonstellingen noemen ‘Het naakte zijn’, Art Dewael 15, Antwerpen (2021) samen met Kristel van Ballaer (BE) en de tentoonstelling ‘Fundamenteel Geel’, De Halle, Geel (2022), een internationale samengestelde tentoonstelling in samenwerking met Luc Hoekx (BE) en Michael de Kok. In deze twee projecten komt steeds meer het persoonlijk verhaal samen met het verhaal van anderen en vind er een internationale uitwisseling plaats.

 

Wanneer de situatie daartoe uitnodigt en in overleg met de tentoonstellingsruimte zoek ik de gelegenheid om tijdens een tentoonstelling een performance te geven. Ik noem hier de performances op de Hogeschool Arnhem Nijmegen (2007), de ‘Gekkenkrant’, Maas, Nijmegen (2014), Loutering, Park, Tilburg (2016), Mark Rothko Art Centre, Daugavpils, Letland (2018).

Het kan gaan om een teken-performance waaraan het publiek actief deelneemt. Aan de hand van een beperkte set aan eenvoudige regels die voor iedereen uitvoerbaar zijn, ook zonder tekenervaring, maakt elk individuele deelnemer aan de groep een tekening.

Een voorbeeld van een set regels is: een blad tekenpapier van 65 x 50 cm, een pijpje houtskool en de vraag om lijnen van links naar rechts en van boven naar beneden over het blad te trekken. Door de tekeningen daarna samen te presenteren wordt zichtbaar hoe ieder individu op een hoogst persoonlijke manier omgaat met de gegeven regels. Soms zijn het eruit springende verschillen en soms ook subtiele verschuivingen. Soms zijn het geleidelijke veranderingen en dan weer zijn er plotselinge breuken in het tekenen zichtbaar. Het geheel verhoogt het bewustzijn van handelen en waarnemen. De ervaringen tijdens het tekenen en kijken kunnen naderhand worden uitgewisseld.

Een tweede performance bestaat uit ‘kijken’ naar mijn werk. Iedereen die mee wil doen, zoekt een schilderij uit. Om het werk goed tot zich te nemen en te laten doordringen, gaat men tien minuten voor het doek zitten of staan. Dit contemplatief kijken verhoogt de gevoeligheid voor de aanwezige innerlijke structuren en nuances in het werk. Mijn oeuvre is uitzonderlijk vruchtbaar voor de contemplatieve blik. De reacties van toeschouwer wijzen uit dat men tot hoogstpersoonlijke, intieme observaties kan komen.