George Meertens Teksten Biografie
Blog Colofon
‘In zijn zoektocht naar het beeld is Meertens steeds dichter bij het schilderen zelf gekomen en zijn de verwijzingen naar de zichtbare werkelijkheid nog meer op de achtergrond geraakt. De schilderijen vertellen hun eigen ontstaansgeschiedenis en openbaren hun wezen in de kleuren en handelingen waaruit zij zijn voortgekomen. De weg naar het beeld, is zelf tot beeld geworden.’ Hanneke de Man ____________________________________________________________________________ |
Persbericht De Pont, Tilburg, januari 2011 Sublacus door Hanneke de Man, uitgave Timmer art Books, Oosterhout, 2011 Aan het meer, Joost de Wal, juni 2010 De bossen buiten Clairvaux, Br. Guerric Aerden osco, abdij Westmalle, juni 2010 Het zevenvoudige pad van de monnik, De Kovel, Monastiek tijdschrift nummer 8, 2009 Indringend beeld van een gewond lichaam, Trouw, 7 april 2009 ____________________________________________________________________________ |
Persbericht De Pont De Pont - project-ruimte Schilderen/Painting 29 January - 27 March 2011 George Meertens (Stein (L), 1957) is sinds het eind van de jaren tachtig als kunstenaar werkzaam. In de afgelopen jaren heeft zijn schilderkunst een nieuwe wending genomen die hij zelf omschrijft als een tocht door onbekende gebieden. De vragen die hij zich stelt, geven richting aan die zoektocht. Hoe kun je het niet-zichtbare vatten in een beeld en hoe benoem je de beelden die zo ontstaan en zich vervolgens een plek moeten veroveren in de wereld? ‘Luister mijn zoon (...) en neig het oor van uw hart’ luidt de aanhef tot de Regel voor Monniken van Benedictus van Nursia (480-547). De woorden zijn Meertens zeer dierbaar. In zijn manier van schilderen wil hij die oproep tot luisteren in praktijk brengen door elk vooropgezet beeld te laten varen en te reageren op wat zich tijdens het schilderproces voordoet. Deze werkwijze vat hij samen met de term Sublacus. Het begrip is samengesteld uit de Latijnse woorden sub (onder) en lacus (meer) en is een verwijzing naar de plek waar Benedictus zich terugtrok tijdens zijn kluizenaarschap. Op zoek naar het diepste punt koos de kloostervader een grot, onder bij het meer, als oord voor bezinning en introspectie. In Meertens’ visie is ook het atelier op te vatten als de Sublacus, als de plek waar een kunstenaar alle zekerheden opzij probeert te zetten en doet wat het schilderij in wording van hem verlangt; schilderkunst als een vorm van aandacht, betrokkenheid en overgave. Meertens’ schilderijen zijn laag over laag opgebouwd. Het zijn abstracte, lyrische velden van kleur, die nu en dan een landschappelijke connotatie hebben. Soms zijn de doeken duister en bewogen, soms vredig en licht, vaak verstild en introvert. Pas als je ze langdurig bekijkt, geven ze zich bloot. Dan zie je de sporen van de instrumenten waarmee de verf is aangebracht, maar ook die van het schuren en wegvegen. Er zijn de bewust uitgevoerde bewerkingen, maar ook de onvoorziene effecten. Van dichtbij valt de tinteling op van de kleurvlekjes en is te zien hoe de kleuren zich met elkaar mengen of hun eigenheid juist behouden. Hier en daar vallen de krassen op van een verfkrabber, die als ‘littekens’ de kwetsbaarheid zichtbaar maken van de huid van het schilderij. En altijd is er die transparante gelaagdheid, waarin de kleuren zich laag over laag met elkaar verstaan en zich voegen tot een onderliggende structuur. In tegenstelling tot de doorwrochtheid van de schilderijen hebben de in serie gemaakte tekeningen een bijna ‘terloopse’ kwaliteit, als het neuriën van melodieën die vanzelf opkomen. De patronen zijn uiterst eenvoudig en volgen de impuls van het moment. Het schilderen is hier teruggebracht tot een simpele handeling. Deze eenvoud en directheid, zo kenmerkend voor de werken op papier, hebben ook op de schilderijen hun uitwerking niet gemist. In de meest recente is een ontwikkeling waar te nemen naar een grotere helderheid en trefzekerheid, waarbij het aantal handelingen tot een minimum is teruggebracht. In zijn zoektocht naar beelden die kunnen verhalen van een innerlijk ervaren, is Meertens steeds dichter bij het schilderen zelf gekomen. De verwijzingen naar de zichtbare werkelijkheid zijn geheel verdwenen. In plaats daarvan vertellen de schilderijen hun eigen ontstaansgeschiedenis en openbaren zij hun wezen in de kleuren en handelingen waaruit zij zijn voortgekomen. De weg naar het beeld, is zelf tot beeld geworden. Tegelijkertijd met de tentoonstelling verschijnt een boek met de titel Sublacus. Er is tevens werk van George Meertens te zien bij Studio van Dusseldorp, Wilheminapark 110, Tilburg. _____________________________________________________________________________ |
SUBLACUS - Hanneke de Man De eerste of ... de tweede gedachte is het verlangen. Het is moeilijk te onderscheiden. Het verlangen naar een beeld. Een persoonlijk beeld, een passend beeld. Een beeld van het onwaarschijnlijke. Een beeld uit het barre land of van gene zijde. De volgende gedachte - of gaat ze eraan vooraf, wie heeft het kunnen horen - is het ongevormde. Het gelaat van de onbekende. Het evenbeeld in het licht. Dan de feiten, de drager, het doek of papier, het formaat, de verf. De formele grenzen van het reële. De eerste handeling is de kleur, de verdunning, de menging. De tweede handeling is het aanbrengen. De derde handeling is het weghalen. Gevolgd door alle volgende handelingen van aanbrengen en weghalen. In de gelaagdheid komt het beeld tevoorschijn, persoonlijk, passend en tegenwoordig. Dit maakt het schilderij tot lichaam en geest. Het schilderij is niet het doel maar dat wat overblijft, de resten. George Meertens, dagboekaantekeningen De werken van George Meertens in zijn boek Sublacus zijn voor het overgrote deel in de af- gelopen twee jaar ontstaan. Het zijn gelaagde beelden die hun zeggingskracht ontlenen aan de kleur, de beweging en de schildersinstrumenten waarmee de verf is opgebracht of juist weggehaald. Schilderijen en schilderingen op papier wisselen elkaar af. De werken op papier zijn in series ontstaan. De concrete handeling van het schilderen is hier geïsoleerd en tot beeld gemaakt. In de schilderijen zijn de opeenvolgende handelingen dienstbaar aan een meer omvattende, gelaagde structuur. Soms zijn de doeken duister en bewogen, soms verstild en introvert. Pas als je ze langdurig en van dichtbij bekijkt, geven ze zich echt bloot. Dan valt de tinteling van de kleurvlekjes extra op en is te zien hoe de kleuren zich mengen of hun eigenheid juist behouden. Er zijn sporen van het aanbrengen, maar ook van het schuren en wegvegen van de verf. Hier en daar vallen de krassen op van een verfkrabber, die als ‘littekens’ de kwets- baarheid zichtbaar maken van de huid van het schilderij. En altijd is er die transparante gelaagdheid, waarin de kleuren zich laag over laag met elkaar verstaan en zich voegen tot een onderliggende structuur. In de afgelopen vijf jaar heeft de kunst van George Meertens een enorme ontwikkeling door- gemaakt, een ontwikkeling die hij zelf omschrijft als een tocht door onbekende gebieden. De vragen die hij zich stelde, gaven richting aan die zoektocht. Hoe kun je het niet-zichtbare schilderen? Hoe kun je een schilderij maken van een innerlijk ervaren? En hoe benoem je de beelden die zo zijn ontstaan en zich vervolgens een plek moeten verwerven in de wereld? ![]() Café, installatie, benedenzaal, Lokaal 01, Breda, 1989 ![]() Kerk, installatie, bovenzaal, Lokaal 01, Breda, 1989 George Meertens rondde zijn studie in 1981 af aan de Academie St. Joost in Breda. In de daaropvolgende jaren experimenteerde hij met verschillende artistieke mogelijkheden en uitgangspunten. Zijn eerste tentoonstelling uit 1989 in Lokaal 01 in Breda had het karakter van een installatie. Als commentaar op de typisch zondagse gang van kerk naar café had hij zijn abstracte schilderijen in de benedenruimte van de galerie gecombineerd met op eieren geplaatste caféstoelen, en in de daarboven gelegen ruimte met op elkaar gestapelde en om- gevallen bidstoelen. ![]() Totaalperspectief, atelier, 1994 Zijn tentoonstelling in 1994 bij Stichting Archipel in Apeldoorn kenmerkte zich door de rationele en systematische aanpak. In het hier getoonde project Tijdmachine ontwikkelde Meertens een idee van volledigheid. Met behulp van een computer inventariseerde hij op basis van het aantal kleuren en pixels van een beeldscherm de beeldmogelijkheden. Ook ontwikkelde hij een nieuw perspectief dat hij Totaalperspectief noemde en dat als een alziend oog in 360 graden de omgeving kon overzien. Deze projecten vormden de bouwstenen voor twee computersculpturen, een zeefdruk en een serie schilderijen in zwart-wit. Het waren de jaren waarin de toekomst van de schilderkunst inzet bleef van heftige discussie. Meertens voelde zich als kunstenaar genoodzaakt om zijn positie te bepalen ten aanzien van de nieuwe media en experimenteerde met de specifieke mogelijkheden van het beeldscherm. Tegelijkertijd bleef hij echter vasthouden aan de schilderkunst, overtuigd van de meerwaarde ervan. Voor de reeks grote, realistische stadstaferelen die hij tussen 1995 en 1997 schilderde, nam hij door hem zelf gemaakte foto’s als uitgangspunt. De schilderijen brachten anonieme plek- ken in beeld: plekken getekend door de sporen van menselijke aanwezigheid, maar waar desondanks geen levend wezen te bekennen is. De grijzen van de troosteloze en onttakelde ruimtes, straatgevels en lokalen maken de voorstellingen nog desolater. In 1997 figureerde een aantal van deze werken in Einde eeuw Tableau Vivant, een tentoonstelling over de actu- ele stand van zaken in de Nederlandse schilderkunst in Pulchri Studio in Den Haag. Wim Beeren, oud-directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam en samensteller van de expositie, karakteriseerde Meertens’ benadering als een vorm van ‘schilderkunst die niet om de eigen vreugdevolle kwaliteiten werd gebruikt, maar als een dienstig middel om een quasi-ob- jectief, door eigen fotografie bepaald beeld te ontdoen van te letterlijke realistische details en te manipuleren naar heviger expressie van leegte.’ (1) Ondanks het succes met deze schilderijen, voelde Meertens zich op een dood spoor. Er volgden jaren van reflectie, een periode waarin hij als mens en als kunstenaar op zoek ging naar nieuwe inspiratie en impulsen tijdens kloosterretraites, in de natuur en door studie. Hij volgde een opleiding vaktherapie en is sinds 2007 werkzaam in een psychiatrisch centrum. Zijn werkzaamheden als beeldend therapeut bieden hem sindsdien, naast al het andere, ook de financiële ruimte om als kunstenaar in alle vrijheid zijn weg te zoeken. Daarnaast is de terugkeer naar het geloof van zijn jeugd een belangrijk gegeven. Meertens ervaart religie en spiritualiteit als drijvende krachten achter zijn kunstenaarschap. ![]() Ontmantelde machinekamer, olieverf op katoen, 180x140 cm, 1997 ‘Ik ontdekte dat mijn hele moraliteit, mijn hele esthetiek christelijk gevormd is. Wat zoek ik toch naar alle kanten, dacht ik; het ligt zo voor het grijpen, ik heb het gewoon. Toen ontdekte ik ook de regel van Benedictus (480-547). Die is opmerkelijk actueel: hoe verhoud je je tot de wereld als indi- vidu? Wat doe je samen en wat doe je alleen? Hoe deel je een dag in? Hoe breng je structuur aan? Hoe ga je om met vrijheid? Wat is de eigen wil? Alles komt daar bij elkaar. Dat fungeert als een geestelijke verrijking. Dat is wat mijn schilderen voedt’, zei hij begin 2010 in een ge- sprek met Joost de Wal.(2) Toen Meertens het schilderen weer opnam, betekende dit een nieuw begin. Figuratie maak- te plaats voor abstractie, de kleur keerde in al zijn nuances terug en het typisch schil- derkunstige dat in zijn stadstaferelen uit 1995-1997 zo ver was teruggedrongen, trad nu prominent naar voren. De artistieke problematiek die hem bezighoudt, is echter niet wezenlijk veranderd. Nog steeds gaat het erom beelden te vinden. Maar wat voor beeld? Wanneer is het goed? Wan- neer is het voltooid en wanneer ben je je doel voorbij geschoten? De manier waarop hij deze vragen omtrent het bestaansrecht van het schilderij sinds 2005 tegemoet treedt, ver- schilt wel sterk met destijds. In een interview uit 1994 naar aanleiding van zijn project Tijd- machine zei hij geen grip te hebben op de zoektocht naar dat ene beeld.(3) Door het gebruik van de computer, die àlle beelden bereikbaar maakte, verviel de noodzaak tot het maken van dergelijke, uiterst subjectieve keuzes en beslissingen en kon hij zich op andere vragen richten. In de afgelopen jaren is het zoeken naar een persoonlijk en een passend beeld opnieuw het centrale gegeven in zijn kunst. Die beelden ontlenen hun rechtvaardiging niet meer aan een objectieve systematiek, maar aan de innerlijke noodzaak waaruit ze zijn ontstaan. ![]() Na de zondvloed, olieverf op katoen, 30x70 cm, 2005 Na de Zondvloed (2005) is een van de eerste schilderijen die Meertens na de jaren van her- bezinning heeft voltooid. Het kleine, liggende doek is opgebouwd uit duidelijk herkenbare toetsen in grijzen, blauwen, okers, bruinen en een vaal roze. Het kleurengamma, de beweeg- lijkheid van de toetsen en het verschiet roepen - mede dankzij de titel - de associatie op met verdronken land. Ook in de schilderijen die volgden is vaak sprake van een zekere landschap- pelijkheid. Maar die vloeit eerder voort uit de intuïtieve, lyrische manier van schilderen dan uit de behoefte om de zichtbare werkelijkheid weer te geven. In het De bossen buiten Clairvaux (2002-2008) is Meertens’ benadering van de natuur uitgekristalliseerd in een enorm tweeluik. De twee, tegen elkaar geplaatste doeken van elk 235 x 435 cm, zijn geheel opgebouwd vanuit de toets. Van dichtbij spat het oppervlak uiteen in een warreling van naast en over elkaar geplaatste groenen, bruinen en okers. Vanaf een afstand verbinden deze zich tot een dynamische ruimte, waarin de toeschouwer al dwalend zijn weg kan zoeken. In De bossen buiten Clairvaux heeft Meertens de figuratie achter zich gela- ten om tot een verinnerlijkt beeld te komen van een bos: een beeld dat de herinnering in zich draagt aan het flakkerende zonlicht door het bladerdak, de geur van vochtige aarde en het pulserende leven onder de bast van de stam en in de nerven van het gebladerte.
![]() De bossen buiten Clairvaux, olieverf op linnen, tweeluik, 235x435 cm elk, 2002-2008 Naast de natuur wordt ook het lichaam een belangrijk thema en ook hier gaat het hem niet om het tastbare, fysieke lichaam, maar om de innerlijke ruimte, om - zoals hij het zelf in een van zijn dagboekaantekeningen verwoordde - ‘de diepe ervaring van een zijn zoals dit samenkomt in het voelend, ervarend lichaam.’ In het grote, staande doek Lichaam uit 2006 heeft Meertens die sensatie in verf willen uitdrukken met kleurige verfstreken die in wisselende tint, richting en formaat, laag over laag zijn aangebracht. Soms tekenen de toetsen zich helder af, soms zijn het vegen. Nu eens zijn ze overlappend aangebracht, dan weer naast elkaar tijdens een schilderproces dat hij net zo lang voortzette tot de toetsen elkaar vonden in een open, expressief weefsel. ‘Luister mijn zoon (...) en neig het oor van uw hart’ luidt de aanhef tot de Regel voor Mon- niken van Benedictus. Deze woorden zijn Meertens zeer dierbaar. Ook in zijn eigen manier van schilderen wil hij die oproep tot luisteren in praktijk brengen door elk vooropgezet beeld te laten varen en te reageren op wat zich tijdens het schilderen voordoet. Die tastende manier van werken, op zoek naar een samenhang en structuur die van tevoren niet is te voorzien, voert hem langs menige impasse. ‘Het is deze impasse die bepalend is voor de voortgang. Het Chinese karakter voor crisis betekent zowel gevaar als kans. Het is de impasse die men als laagste punt kan zien. Dieper kan men op dat moment niet geraken, de locus horribilis.’ zegt hij daarover in zijn dagboek. Introspectie, verlossing en loutering zijn begrippen die niet alleen voor zijn persoonlijk leven maar ook voor zijn kunst actueel en relevant zijn. Sinds 2009 gebruikt Meertens de term sublacus in dit verband. Ook dit begrip heeft te maken met Benedictus. De Latijnse woorden sub lacus (onder bij het meer) verwijzen naar de plaats waar de kloostervader zich tijdens zijn kluizenaarschap terugtrok: in een grot bij het meer, op het diepste punt. Sublacus is voor Meertens een aanduiding geworden van de tijd en de plaats ‘om tot inkeer te komen. Het is een plaats om te leren met jezelf te leven. Het is een plaats die de stilte van de uren zoekt. Het is een gevaarlijke plaats die onverbiddelijk kan zijn en alleen in Liefde bezocht zou mogen worden.’ Ook het atelier is op te vatten als de sublacus, waar de kunstenaar alle zekerheden probeert te laten varen en waar hem soms momenten van ‘genade’ ten deel vallen, wanneer geest en lichaam samenvallen in de handeling van het schilderen. ![]() Lichaam, olieverf op katoen, 180x140 cm, 2006 In Meertens’ schilderijen uit de afgelopen twee jaar is, naast de kleur, ook de handeling een belangrijke drager van betekenis geworden: de handeling die zich laat sturen en inspireren door reflecties op de natuur, het leven en de spiritualiteit, maar die zich uiteindelijk dient te verstaan met de drager, de verf en de kwasten om tot beeld te worden. Meertens bouwt zijn schilderijen op in lagen, soms zijn dat er maar een paar, soms enkele tientallen. De kleine kwasten, waarmee hij doeken als De bossen buiten Clairvaux en Lichaam schilderde, hebben de laatste twee jaar plaatsgemaakt voor bredere kwasten en een aantal andere schildersinstrumenten, variërend van houten latten, doeken, de eigen handen, de vloer en verfkrabbers. Door de verschillende bewerkingen van de doeken, ontstaan patronen die je nooit zou kunnen bedenken. Ze zijn het onverwachte resultaat van de inwerking van terpentine, oude restjes pigment achtergebleven op de lat waarmee de verf over het doek is getrokken of van de versmelting van de verflagen door het schuren en wegschrapen van de verf. Tegenover de handelingen van het aanbrengen en verwijderen van de verf staat het bewust afzien van actie. Het zijn momenten van afstand nemen, afgedwongen door de eigenschap- pen van de olieverf, die moet drogen en tot rust komen om niet te verworden tot grijze materie. Wanneer je als kijker recht voor het voltooide schilderij staat, richt alle aandacht zich op het beeld, maar ook de zijkanten hebben een functie. In hun groezeligheid vertonen ze de sporen van het ontstaansproces. Ze laten, in de woorden van Meertens, de ongedurigheid van zijn arbeid zien. Zij verbeelden als het ware de modder en het vuil waaruit het beeld naar voren is gewerkt, en maken zo onlosmakelijk deel uit van het beeld. In al hun concreetheid vormen de werken op papier een belangrijke schakel in Meertens’ streven om de handeling van het schilderen de zeggingskracht te verlenen van een beeld. De serie Liederen (2009-2010) is op een bijna terloopse manier ontstaan, als het neuriën van melodieën die als vanzelf opkomen. Voor deze bladen heeft Meertens direct gebruik gemaakt van de kwasten zoals hij ze aantrof in de potten met terpentine op zijn werktafel. Het schilderen is in deze bladen teruggebracht tot een simpele handeling. De patronen zijn uiterst eenvoudig en volgen de impuls van dat moment. Wanneer de verf uit een kwast ‘op’ was, pakte Meertens een willekeurig andere uit de pot. Sommige bladen hebben bijna het karakter van een aquarel door de nog aanwezige terpentine in de kwast. Andere zijn ‘droger’ en laten de aanzetten zien van de kwast op het papier. De werken zijn bijna monochroom, maar hier en daar schemeren kleurresten door de groene, bruine of okerkleurige grondtoon. De vanzelfsprekende directheid die Meertens in deze, maar ook in zijn recent ontstane serie Stemmen bereikte, motiveerde hem om in zijn schilderijen eenzelfde helderheid na te streven. In het grote schilderij Grote stem uit 2010 is het schilderproces teruggebracht tot slechts een paar handelingen. Er is het lichte blauw van de egaal geschilderde achtergrond en het bruin, dat in lange, verticale streken met een brede kwast is aangebracht en er is de horizontale beweging van het wegschrapen van de verf. De structuur die zo is ontstaan, is sober en ver- rassend tegelijk. De kleuren hebben zich op sommige plekken zo met elkaar verbonden dat niet meer te zien is of het bruin over het blauw, of het blauw over het bruin is geschilderd. In toon en emotionele geladenheid verschillen de werken van elkaar: van de dramatiek en melancholie in Wond en Tranen tot de vreugde en tederheid in Licht en Bemin. Ook door hun formaat en het materiaal waarop ze zijn geschilderd, loopt de aard van de werken uiteen. Meertens heeft zijn schilderijen en werken op papier in deze publicatie gerangschikt naar drager en formaat en hun karakter met één woord getypeerd: de Studies in Verlatenheid, De Liederen en Stemmen op papier en op doek de Brieven, de Gesprekken, de Uren en Sublacus, in formaat variërend van klein en intiem tot monumentaal. Doen wat het schilderij in wording verlangt; helder worden in wat je doet, het zijn principes die Meertens’ benadering van de schilderkunst richting geven. Wat al zijn werk met elkaar verbindt, is de intensiteit waarmee het is gemaakt. Schilderkunst gaat in zijn visie uiteindelijk over betrokkenheid en aandacht. Die kunnen het schilderij tot lichaam en geest maken en het een troostende en helende kwaliteit geven. Dat de tijd verder stroomt is tegengesteld aan God. God is ‘al’ en ik kan bedenken dat in het ‘al’, tijd en ruimte samenvallen. De schilderkunst probeert dit te naderen. Twee dimensies die stil staan. Het is alleen de toeschouwer die beweegt en verandert. De tijd lijkt geen greep te hebben op het schilderij. Het is bepaald sensationeel te noemen dat schilderijen uit de veertiende eeuw nog steeds objectief te bekijken zijn zoals toen. Het zijn de interpretaties die veranderen. Toch kan ik me voorstellen dat de intensiteit van het beeld tijdloos is voor de toeschouwer. We proeven nog altijd de aandacht, de overgave die de schilder in zijn werk gelegd heeft. Het is eerder deze aandacht die me vandaag de dag nog aanspreekt dan de voorstelling. In de aandacht ligt de ware devotie besloten. In de aandacht kan elke tijd zijn beeld van God scheppen. George Meertens, dagboekaantekeningen In zijn zoektocht naar het beeld is Meertens steeds dichter bij het schilderen zelf gekomen en zijn de verwijzingen naar de zichtbare werkelijkheid nog meer op de achtergrond geraakt. De schilderijen vertellen hun eigen ontstaansgeschiedenis en openbaren hun wezen in de kleuren en handelingen waaruit zij zijn voortgekomen. De weg naar het beeld, is zelf tot beeld geworden. Noten 1 Wim Beeren in cat. EindeEeuwTableauVivant;PulchriStudio Den Haag, 1997; p. 40 2 Joost de Wal in de brochure bij de tent. De bossen buiten Clairvaux; Hilvaria Studio’s, Hilvarenbeek, 2010 3 InterviewmetdekunstenaardoorSigridVegterindebro- chure bij de tent. Tijdmachine; Stichting Archipel Apeldoorn, 1994 _____________________________________________________________________________ |
|
Aan het meer – Joost de Wal, kunsthistoricus I George Meertens behoort tot de zeldzame
hedendaagse Nederlandse kunstenaars die de abstracte kunst
verbindt met de christelijke thematiek. Hij treedt daarmee in het
spoor van moderne schilders als Alfred Manessier (1911-1993) en
Jean Bazaine (1904-2001) – kunstenaars van de Parijse School –,
maar ook van Barnett Newman (1905-1970), Georg Meistermann
(1911-1990) en Arnulf Rainer (1929). Hun motieven verschillen,
maar zij kozen ervoor de christelijke figuratie los te laten en
een volkomen nieuwe weg te zoeken voor hun visie op het
religieuze. Manessier behoorde tot de eerste kunstenaars
die vlak na de Tweede Wereldoorlog de abstractie (of de
non-figuratie) een plek gaf binnen het domein van de christelijke
kunst. In zijn afkeer van de kerkelijke kitsch van zijn tijd, van
de ‘kwezelarij van Saint-Sulpice’ (bij die kerk in Parijs werd
veel gipsen bondieuserie
verhandeld) verlegde hij het accent van de illustratie en de
anekdote naar de sfeer en de spiritualiteit. ‘Mijn schilderijen
zijn de verbeelding van het innerlijke gebed van de mens’, zei
Manessier. ‘Ze getuigen van iets wat met het hart wordt ervaren,
niet van iets wat met de ogen kan worden gezien.’ Meertens kende Manessier niet, maar het is
treffend hoeveel ze met elkaar gemeen hebben. Beiden begonnen als
figuratieve kunstenaars. Bij beiden is er een nauw verband tussen
de ontdekking van de abstractie en het contact met de monastieke
wereld en korte kloosterretraites. En beiden ondervonden pas na
hun overstap naar de abstracte kunst dat schilderen en handelen,
kunst en existentie, religie en scheppingskracht op een
natuurlijke wijze samenvielen. ‘Ik ontdekte dat mijn hele
moraliteit, mijn hele esthetiek christelijk gevormd is’, zei
Meertens onlangs in een gesprek in zijn atelier. ‘Wat zoek ik toch
naar alle kanten, dacht ik; het ligt zo voor het grijpen, ik heb
het gewoon. Toen ontdekte ik ook de regel van Benedictus. Die is
zo modern: hoe verhoud je je tot de wereld als individu? Wat doe
je samen en wat doe je alleen? Hoe deel je een dag in? Hoe breng
je structuur aan? Hoe ga je om met vrijheid? Wat is de eigen wil?
Alles komt daar bij elkaar. Dat fungeert als een geestelijke
verrijking. Dat is wat mijn schilderen voedt.’ Tussen beide
kunstenaars is wel een duidelijk verschil in stijl. Manessier
werkt met stevige, soms grillige lyrische lijnen en vlakken in
uitgesproken kleuren – felrood, blauw, geel – waarin, soms, opeens
een figuratief element opduikt: de suggestie van een geselslag, de
doorn van de doornenkroon. De abstractie van Meertens is
compromislozer. Zijn doeken zijn dicht bezaaid met toetsen en
vlekken, ze torenen boven de toeschouwer uit (ook als die doeken
klein zijn) en ontladen zich in een nevel van kleuren en tinten.
Er is geen spoor meer van figuratie. Ze laten de werkelijkheid
achter zich. II Toch blijft de nuchtere vraag bestaan: kan
abstracte kunst religieus zijn? Kan abstracte kunst christelijke
thema’s verbeelden? Je herkent immers niets. Je hebt geen enkel
houvast. Is abstracte kunst niet gewoon verf en doek? Probeert
abstracte kunst niet juist aan de religie te ontsnappen?
Kunstwetenschappers en theologen hebben zich die vraag al vaker
gesteld en dat leverde verrassende antwoorden op. Zo constateerde de Duitse kunsthistoricus Anton
Henze (1913) hoe belangrijk de titel is voor de religieuze
betekenis van een abstract kunstwerk. Met de titel maakt de
kunstenaar een keuze, met de titel draagt hij zijn intentie uit.
Een titel geeft een kunstwerk zin een betekenis, een titel voltooit
het kunstwerk, zei Henze; door het lezen van de titel kunnen ons
de schellen van de ogen vallen. Meertens doet hetzelfde als hij
zijn doeken Lichaam van
Christus noemt, of Hof
van Olijven of Sublacus
(de grot bij het meer waar Benedictus zich terugtrok als
kluizenaar). Door die confrontatie breken zijn schilderijen
plotseling open en ontstaat er een totaal nieuw perspectief. ‘Met
een titel maak ik een stap naar een wereld waarin je de ander of
jezelf iets wilt beloven’, zegt Meertens. ‘De titels zijn een
eerbetoon aan een wereld waar ik vrijwillig voor kies.’ De katholieke kunsttheologen van de Franse Art
Sacré-beweging, de Dominicanen Marie-Alain Couturier (1897-1954)
en Pie-Raymond Régamey (1900-1996), zagen een diepe verwantschap
tussen de abstracte kunst en de kernwaarden van de Dominicaanse
spiritualiteit, zoals eenvoud, armoede en zuiverheid. Uit een diep
verlangen naar onbaatzuchtige schoonheid, stelde Couturier, doet
de abstractie afstand van al het herkenbare en wereldse, en
daarmee raakt die kunst als vanzelf aan het heilige. Kort na de
Tweede Wereldoorlog gaven Couturier en Régamey talrijke
belangrijke kerkelijke opdrachten aan de grote kunstenaars van het
modernisme, zonder daarbij te letten op hun achtergrond. Iedere
kunstenaar deelt in de goddelijke scheppingskracht, was hun credo,
en daar waar die scheppingskracht zijn zuiverste vorm aanneemt, in
de abstractie, wordt het verbond tussen God en mens op een ultieme
manier tot uitdrukking gebracht. De Duitse, protestantse theoloog Horst Schwebel
(1940) beschouwt de abstracte kunst als een protest tegen het
dictaat van de werkelijkheid: abstracte kunst is een visueel
verlangen naar onze verlossing van aardse banden en spanningen.
Abstracte kunst voert je weg van het zichtbare en brengt je naar
het mystieke punt waar niets nog in taal of beeld kan worden
uitgedrukt. Langs de weg van het minder ontstaat de eenheid met
het meer. Daar komt volgens Schwebel bij, dat God en Christus in
hun essentie onkenbaar zijn. Als een kunstenaar een abstract
Christusbeeld schildert, maakt hij ons daarvan bewust; het
abstracte Christusbeeld beschermt ons tegen de diepe wens om grip
te willen krijgen op het onkenbare. Toen ik Meertens’ abstracte schilderijen voor
de eerste keer zag, verdween al deze theorie achter de kracht van
de ervaring: het kan niet, dacht ik, je kunt niet niets uitbeelden
en op hetzelfde moment een allesomvattende werkelijkheid laten
zien. Het kan niet, en toch gebeurt het – en als iets niet kan,
maar het gebeurt toch, dan begint er een bijzonder verhaal. Elk
doek van Meertens vertelt dat verhaal opnieuw. Sommige doeken
kosten hem jaren. Ze lijken zoekend en gejaagd, maar zijn vol rust
en contemplatie. Ze lijken te desintegreren, maar vormen één
geheel. Ze imiteren niet, ze verwijzen niet, ze zijn. Ze zijn
zoals een berg is. Of een bos. Of een meer. ________________________________________________________________________________ |
| De
bossen buiten
Clairvaux - broeder Guerric Aerden ocso Abdij Westmalle
In
één van de
mooie typologieën van de kerkvaders wordt aan het begin en het
eind van onze
heilsgeschiedenis een boom gesitueerd. In
den
beginne is er de paradijstuin met in het midden de boom
van goed en
kwaad. Aan het eind is er de kruisboom die de goede vrucht van
Jezus’ lichaam
draagt. Deze laatste is exclusief goed en verandert kwaad in
goedheid. De
eerste boom
gaf aanleiding tot onze emigratie uit de tuin van God, de
laatste geeft ons de
kans weer thuis te komen in de besloten tuin, de lusthof vol
granaatbomen met
hun heerlijke vruchten (Hoogl. 4,12-13). Onze geschiedenis ligt
vervat tussen
twee bomen. Twee bomen markeren onze heilstijd, de tijd waarin
recht aan ons geschiedt,
de tijd waarin wij tot ons recht komen. In
de
Middeleeuwen was de boom een houvast voor het uiten van allerlei
stellingen met
betrekking tot de fundamenten van het menselijk bestaan. In vele
volkse
spreuken werd ons die wijsheid overgeleverd: ‘Aan de vruchten
kent men de
boom’, ‘waar de boom valt blijft hij liggen’ of ‘bomen die men
veel verplant
schieten geen wortel’. Iedere adelborst had natuurlijk zijn
‘stamboom’ en tot
in onze tijd gaan mensen daarnaar op zoek om hun ‘wortels’, dus
hun identiteit
te vinden. De
boom had voor
de middeleeuwers, conform de bijbelse paradijsboom, een
tweevoudig genot in
petto: schoonheid om te zien en vruchten om eten. “De Heer God
liet uit de
grond allerlei bomen opschieten, aanlokkelijk om te zien en
heerlijk om van te
eten” (Gen 2,9). Schoonheid werd in de Middeleeuwen wel degelijk
gefunctionaliseerd, met name als kenbron en bekroning van Gods
schepping. Als
Bernardus van Clairvaux volgens zijn biograaf bij meerdere
gelegenheden zei,
dat hij méér geleerd had van de eiken en de beuken dan uit de
boeken (Vita I),
dan dient deze wijze scherts
in bovenstaand perspectief verstaan te worden. Voor
onze voorouders
was de natuur nog immens. Je kon er in verdwalen en makkelijk
ten prooi vallen aan de
wolven. In hun beleving
was die woeste grond nog niet af, de schepping was er nog niet
voltooid.
Cisterciënzers voelden zich aangetrokken tot deze gebieden. Ze
voelden aan dat
hun contemplatief avontuur stilte en afzondering nodig had en
bedreigd werd
door de stadse feodale cultuur met zijn ingewikkeld stelsel van
rechten en
plichten. De
primitieve
sites waar zij hun abdijen stichtten en die zij met de grootste
zorg uitkozen,
noemden zij steevast ‘een oord van wildernis en eindeloze
eenzaamheid – locus
horroris et vastae solitudinis’. Deze
typering
die het eerst uit de pen van Bernardus vloeide in een brief aan
zijn neef
Robert uit 1119 (Brief
1,3),
had een uitermate typologische en mystieke betekenis. De
wildernis sloeg op de
nog niet bekeerde mens met een turbulent en wanordelijk
innerlijk. De ‘school
van de liefde’ (schola
caritatis) van
het cisterciënzer leven, moest deze inwendige wildernis
ontginnen. De affecten
dienden geordend te worden in relatie tot hun bron, de liefde
die God zelf is. De
omvorming van
Alsemdal (Val d’ Absinthe) naar Klarendal (Clairvaux) is dan ook
een mystieke
interpretatie a posteriori door de biografen van Bernardus. Het
duidt niet
alleen op de innerlijke omvorming van de monnik, maar eveneens
op het in
cultuur brengen van de woeste gronden teneinde het oord van
wildernis (locus
horroris) te transformeren tot
een paradijselijke kloostertuin (paradisus
claustralis). Om te leren van de eiken en de beuken,
moest Bernardus dus
het kloosterslot in strikte zin verlaten en de woudrand op de
taluds opzoeken.
De bossen bevonden zich duidelijk ‘buiten’ Clairvaux. En daar
kon iets geleerd
worden. Gastenverblijven,
ziekenafdeling
en werkplaatsen vormen een wat wijdere kring daar rond. Dit
alles wordt omcirkeld door het soms meerdere kilometers lange
lint van de grote
slotmuur. Het omringende woud vormt dan weer een natuurlijke
afbakening van de
clausuur. De ultieme grens van het leven is de dood die in de
natuur altijd tot
nieuw leven leidt. In een cisterciënzer abdij horen de doden
altijd een beetje
bij de levenden. De overleden broeders rusten op het
kloosterkerkhof ten
noorden van de kerk. Al deze grenzen worden dagelijks ervaren en
beleefd door
de monniken. Om
de verinnerlijkende
waarde van het binnenslot opnieuw aan te voelen, trekt Bernardus
af en toe naar
de woudrand. Alleen, met de natuurlijke geluiden van het bos,
keert hij zich in
en komt er weer ordening in zijn geest en gemoed. Hij denkt aan
zijn vriend,
Henry Murdach, in het verre Engeland die hem pas tevoren een
brief had
gestuurd. Hij bevroedt daarin het verlangen van de jonge
briefschrijver om het
monastieke leven te omhelzen, maar hij proeft ook diens aarzel
om zijn beroep
van theoloog en zijn comfort zomaar op te geven. Teruggekeerd in
het
scriptorium van de abdij, schrijft hij hem deze woorden: Geloof
me
op mijn eigen ervaring: men leert meer in de bossen dan in de
boeken. De
bomen en de rotsen zullen jou een wijsheid leren die je van je
leraren niet
zult horen. Zelf zou je zien hoe men honing kan zuigen uit
steen, en olie uit
de hardste rots. Druipen de bergen niet van zoetheid en
vloeien de heuvels niet
van melk en honing? Bolsteren de valleien niet over van koren?
En nog heel veel
komt me voor de geest dat ik je zou willen zeggen. Ik kan me
dan ook amper
inhouden. Je vraagt me echter niet om een les maar om gebed.
Moge dus de Heer
je hart openen voor zijn wet en zijn voorschriften. Vaarwel! (Brief
106) De
ware wet is
die van de liefde. Daarvoor heeft Bernardus een school gesticht
in Clairvaux.
Henry wordt uitgenodigd zijn getheoretiseer achter te laten en
praktijkervaring
op te komen doen in de school van Christus. Aan deze vrucht van
de edele boom
zal hij proeven of hij al dan niet thuis is gekomen. ______________________________________________________________________________
|
|
De Kovel, monastiek
tijdschrift, nummer 8, juni 2009 Het zevenvoudige pad van de
monnik en de alchemie van de verbeelding George Meertens en Dirk
Hanssens osb Iedereen heeft wel eens van die
momenten waarop de wereld hem of haar volkomen unheim-lich
lijkt. Onwezenlijk zelfs. Alsof de schepping zich vertoont in de
gedaante van een immense, artificiële tuin waarin slechts
follies, nutteloze voorwerpen en bouwsels prijken. Je voelt je
dan als een toneelspeler die een scène binnenwandelt om er tot
zijn verbijstering alleen een aantal rekwisieten te vinden die
onbruikbaar zijn. Dat gevoel van aliënatie, dat verfoeilijke
moment van ontreddering is er een waartegen de weldenkende mens
zich met alle middelen verzet. Gelukkig zijn er ook
onweldenkende mensen die de vervreemdende momenten beschouwen
als kansen om een nieuwe ervaring op te doen. Kunstenaars,
dichters en mystici behoren tot die categorie. Zij willen niets
liever dan op het scherp van de snede te wandelen. Ze huldigen
het soort ontregeling die de fascinatie gaande houdt. Vaak
bewerkstelligen ze zelf het ontregelende gevoel. Door – zoals
weleer de Egyptische anachoreten – de woestijn in te trekken en
een donkere verbeelding voor lief te nemen. Alleen wie zijn
demonen recht in de ogen ziet, kan ze onschadelijk maken. Doen beeldende kunstenaars dat
ook niet? Ze gebruiken hun fantasie. Echte fantasie,
welteverstaan. De verbeelding van de kunstenaar heeft niets met
opsmuk te maken. Wel met het loslaten van vertrouwde denkkaders.
Met het zoeken naar een nieuwe code, een andere retoriek. Als
het goed is, vinden ze die in een bizarre mix van nuchterheid en
extase. Scheidingen tussen onverenigbare polen worden niet
opgeheven, maar er ontstaat toch iets als een perfecte harmonie
tussen tegendelen. Leegte en volheid tegelijk. Verbinding tussen
de buitenkant en de binnenkant, tussen het zichtbare en het
onzichtbare. Alsof het genadige moment – sommigen spreken over
'het uur U' – zich afspeelt in een gewijde ruimte, op een plein
dat doet denken aan de verstilde doeken van Giorgio de Chirico,
een plek die ietsvan de eeuwigheid in zich draagt en allicht
daarom huiver wekt. Een woestijn met kantelvlakken, ontstaan uit
momenten zonder oriëntatie, zonder richting en zin. Er zijn
monniken die de uitdaging aangaan. Ze gaan op zoek. Levenslang.
Zouden we dit niet het denken op de kleinst mogelijke – zeg
maar: zuivere – schaal kunnen noemen? Denken vanuit het
oerbeginsel? Zo juist en exact als alleen het niets kan gedacht
worden? Allicht. Maar welk voordeel levert dit op? Geen enkel,
tenzij dat overzicht in een mysterieuze klapbeweging tot inzicht
keert. En evengoed andersom. Alsof onvermoede perspectieven zich
blijvend openen, terwijl het licht telkens uit een andere hoek
binnenvalt. Het moment lijkt gestold, zoals een schilderij dat
is. Maar vergis je niet: een weg naar binnen lonkt en zorgt voor
dynamiek. “Nu moeten we voortgang maken”, roept Benedictus zijn
broeders toe. “Laten we, nu er nog tijd is en wij in dit lichaam
verkeren, nu het nog mogelijk is het goede bij het licht van dit
leven te volbrengen, ons voortspoeden. Allengs verruimt het hart
zich en snellen we welgemoed en zonder inspanning voort langs
een weg die naar het hemelse voert.” (naar R.B. prol. 43. 49) Een jonge kunststudent betreedt
het gebouw met haast heilige schroom. Hij kijkt zijn ogen uit en
voelt de druk van alle kanten toenemen. Hier is het, hier komen
alle geheimen bij elkaar. Zijn zintuigen staan open. De geest is
bereid te ontvangen. Hij is klaar om te luisteren. De stroom van mensen voert hem
naar een bredewenteltrap die hij opgewonden beklimt. Boven
gekomen wurmt hij zich tussen een groep nieuwsgierigen die over
de reling hangen en naar beneden kijken. Daar ziet hij het
wonderlijke tafereel: een man met hoed, spijkerbroek, stevige
schoenen en een vissersvest over zijn hagelwitte hemd. De man in
de kuip controleert twee motoren, beideverbonden met een zware
koperen as die door een hoop vet steekt. Er loopt een dikke
slang omhoog die, zoals later blijkt, door het hele gebouw
loopt. Een opschrift leert: De honingpomp op de werkplek van
Joseph Beuys. Joseph kijkt omhoog, kruist de blik van de
jongeman. Mijn blik. Ik zwaai en hij zwaait terug. Dan gaat hij
verder met zijn werk, verdwijnt tenslotte door een zijdeurtje. Joseph Beuys werd charlatan,
bedrieger en notoiropportunist genoemd. Maar ook: magiër,
sjamaan, profeet.De jonge Beuys was ooit oorlogspiloot. Zijn
vliegtuig werdneergehaald boven de Krim. Zwervende Tartaren
wisten de ongelukkige te redden met vilt, vet en honing. Terug
in Duitsland wijdde Beuys zich aan de studie. Hij vond een
onderkomen bij een gastgezin dat hem de beginselen van de
antroposofie bijbracht. De denker ontwikkelt zich tot
een van de meest in-vloedrijke naoorlogse kunstenaars.
‘Aktionen’ worden zijn waarmerk, performances die toe-schouwers
de vrijheid ‘aanpraten’ die nodig is om het spirituele
rijpingsproces te ondergaan. In de centrale hal van het
Friedericianum – die kunsttempel die als een lichaam is voor
zijn bezoekers – heeft Beuys de metafoor van het hart zichtbaar
maakt. In de diepte van de ruggengraat staat hij een werkende
pomp te inspecteren. Het koper is de geleider van de energie,
stelt krachten ter beschikking. De leidingen vullen zich met
honing, ze zijn de aders die het product van de bijencultuur
ronddragen. Bijen zorgen voor bevruchting
van planten. Hún voordeel? De nectar. Is dat de honing waar de
woestijnvaders het over hadden? De honing die het Hooglied
vermeldt? Zeker, het is de honing gepuurd uit stekelige én
bloemrijke cactussen. Daar komt werken bij kijken. Warmte,
liefde moet rondgepompt als in een gesloten systeem. Gebouw,
lichaam, vloeistof en energie – ze vormen een osmotisch geheel.
En de mens is er de dienaar van. Hij houdt het systeem in stand.
Ook al staat hij dan met het vilt van zijn desolaat gepeins
omwikkeld. Zoals Joseph Beuys zich tot
conservator van een pompend hart in de Documenta van 1977 heeft
uitgeroepen, zo beschouwen cisterciënzers van alle tijden zich
de bewakers van het hart van Christus, zoon van de Heer die
gekend en ongekend is. De Heer die klinkt als de stilte, diep in
de kuip van het innerlijke leven. Niets is zo kostbaar als het
atrium van stilte waar de zoete bron van leven ontspringt. Het
grote lichaam van de mensenmassa heeft het aan de wil en de
inzet van de broeders – hun bidden en werken – te danken dat er
zoetheid door zijn aderen vloeit. Waar het heerlijke goed wordt
bewaakt, daar rijst het monument, het heiligdom, de ruggengraat
waarrond generaties als trappen rond een kuil omhoog wentelen. Of het beroemde bouwplan van
Sankt Gallen, waarnaar eeuwenlang abdijen werden gebouwd, enig
weerwerk heeft willen bieden tegen die chaosmos van de
levensloop, weet ik niet. Ook daar zijn compartimenten die stuk
voor stuk specifieke riten eisen: het oratorium met zijn
liturgie die laus perennis heet, de kapittelzaal waarin het oor
van het hart nog slechts hoeft te luisteren, de refter die
broeders in hun menselijke nood verenigt, het dormitorium dat
leert hoe men zich het geluk van de totale overgave mag
voorstellen, het scriptorium dat kalligrafen toewijdt aan het
ritueel van de wakkerste geest. Maar dit staat buiten kijf: tot
matte onbestemd-heid heeft Sankt Gallen zijn monniken niet
verdoemd. Het sas dat de verschillende lokalen verbindt, is het
lichtende vierkant van het pand, gangen die een vrije dynamiek
suggereren. Zegt dat monastieke grondplan
niet alles over de essentie van het leven? Is het wezen van alle
leven niet dat soort beweging dat mensen tot eendrachtige
bewogenheid verlokt? Vanuit die optiek zegt het beeld van de in
serie opgestelde spinnewielen allicht meer over het
beweeg-lijke, open systeem van het leven dan het
wetenschappelijke model waarmee de psycholoog het continuüm van
wieg tot graf in hermetisch afgesloten compartimenten giet. Beschouw een draad die aan een
ronkend spinnewiel wordt onttrokken. Het is de levensdraad. De
glinsterende, almaar langer wordende draad ontsnapt aan de
handen van de ambachtsman, kringelt vervolgens dansend naar de
grond waar hij mysterieuze arabesken tekent. Na verloop van tijd
heeft zich aan de voeten van de hand-werker een onontwarbaar
kluwen gevormd, een wirwar die alleen maar de uitvergrote versie
lijkt te zijn van het zachte knotje waarmee de garenspinner zijn
mechanische arbeid begon. Een tweede handwerker met een iets
groter spinnewiel kan aan de slag. Na korte tijd ook een derde.
Een vierde. Enzovoort. Zo te zien knoopt het einde zich telkens
aan het begin en mag men wel stellen dat de levensloop het
karakter van een perpetuum mobile heeft. Natuurlijk staan in kloosters
geen spinnewielen opgetast. Toch is de metafoor ook voor hun
bewoners pertinent. Wat laat hij oplichten? De hoop. In de vorm
van een fil rouge. Maar alleen wanneer het besef leeft dat de
mens ook zelf bijeen gesponnen wordt. De Poolse schrijver Witold
Gombrowicz zei: “Omdat mensen de Vormen zijn die zichzelf vormen
en ontbinden, zijn ze zwanger van het onvoorziene en
verrassende.” Heel juist. En als het tot een geboorte komt, dan
zal dat allicht iets wezen als een verblindende lichtstraal die
een van donkere historie zwaar beladen kerk doorschiet, op het
slotakkoord van het zomers nachtofficie. Hoe treffend die titel waarmee
Jackson Pollock een van zijn ‘drip’-schilderijen toebe-deelde:
Kathedraal. Wie het canvas goed bekijkt, ontdekt de schim van
een rechtopstaande kolos. De Man die de banen van om even welke
levensloop beheerst. Het Licht van de
wereld. “In het begin schiep God de
hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en
duister-nis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over
het water. God zei: ‘Er moet licht komen’, en er was licht. God
zag dat het licht goed was, en Hij scheidde het licht van de
duisternis; het licht noemde Hij dag, de duisternis noemde Hij
nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.”
(Genesis 1,1-2). Het begin van de Bijbel. Altijd durende
indrukwekkende woorden. Op de openingszin van Wittgensteins
Tractatus logica-philosophicus werpen ze een helder licht: “De
wereld is alles wat het geval is.” Dankzij het licht kunnen we
onderscheiden. Het maken van onderscheid is
eigen aan de mens. Het onderscheidingsvermogen laat de aard der
verhoudingen zien. (Ook figuurlijk!) Hoe hoger de
ontwikkelingsgraad van dit vermogen, hoe beter de persoon zich
in de intentie van de Oorsprong kan inleven. Die empathie wordt
allengs een gebeurtenis. Door de alchemie van de verbeelding,
die in werking treedt bij het zien van de metafysische pleinen
van de Chirico, het hart van Beuys en de kathedralen van
Pollock, opent zich het pad van de monnik. Maar de materie en
het licht in de schilderijen van Robert Ryman – ze openen niet
alleen de weg, in zekere zin zijn ze ook die weg. Robert Ryman is geboren te
Nashville, Tenessee in 1930. Van de prominente plaats die de act
zelf van het schilderen in zijn leven inneemt, werd hij zich
scherp bewust toen hij als suppoost van het Museum of Modern Art
in New York met intense aandacht de tentoongestelde schilderijen
ging bekijken. Ryman kwam iets op het spoor dat we misschien nog
het best de naakte geschiedenis van de schilderkunst kunnen
noemen. Sinds de jaren vijftig
schildert Ryman voornamelijk vier-kante, witte schilderijen. Die
monochromen, waarvan niet alleende ondergrond en de textuur van
de verf, maar ook de (vaak on-onorthodox-opzichtige) manier van
ophanging tot de algehele structuur van het schilderij gingen
behoren, leverden hem voorgoed het etiket ‘minimalist’ of
‘conceptualist’ op. Toch hecht Ryman niet zoveel belang aan zijn
‘lidmaatschap’ van deze of gene bent. Zelf zegt hij over zijn
werk: ‘Wat je ziet, is wat het is.’ Ryman staat bekend als de
grootmeester van de beperking. Zijn schilderijen verbazen me
elke keer weer. Door de picturale uitwerking van de meest
subtiele visuele onderscheiding kom je als toeschouwer in een
universum terecht waar elk materiaal en elke handeling een
exclusief licht werpen op de bijzondere en eenmalige betekenis
van het moment van kijken. De eenvoud en de zorgvuldigheid
waarvan de doeken spreken, zijn er het geheim van. De monochromen van Robert Ryman
zijn over de hele wereld verspreid. Toch kan men Rymans manier
van werken een uiting van ‘stabilitas loci’ noemen. Het
praeceptum is immers gefundeerd in de schilderkunst zelf.
Precies zoals bij werken van On Kawara (die elke dag op formele
wijze een schilderij maakt met de datum van die dag) of Hanne
Darboven (die eindeloze reeksen tekeningen met een formeel
betekenisloze taal ‘geschreven’ heeft), ligt de gedachte aan het
onverstoorbare monnikengeduld voor de hand. Zoals monniken die
manu-scripten vermenigvuldigden, illustreerden en van
commentaren voorzagen, zo hebben deze kunstenaars een manier van
werken gehuldigd die zichzelf op formeel logische wijze
voortzet. Handeling en betekenis worden één. De oneindige,
bodemloze vrijheid wordt als het ware zichtbaar door de
beperking volgens historisch geformuleerde, strikte richtlijnen.
Waarom zouden we het leven niet
beschouwen als een gedurig scheppende taak in het licht van
eindigheid en oneindigheid? Elke dag roept de klok op vaste
tijden tot gedenken en ontvangen. En elk ogenblik is een
‘eeuwig’ nu om met nieuwe ogen de wereld in te kijken. Alsof de
schepping op dat eigenste moment weer is begonnen. Dingen mooi kijken. Kan dat?
Zeker. Je hebt er alleen het licht in je ogen en de warmte van
je hart voor nodig. Op de keper beschouwd kan iedereen het dus.
En iedereen doet het ook. Niet altijd. Maar toch… En zijn de waargenomen dingen
dan ook werkelijk mooi? Het is een vraag waarop het antwoord
uitblijft. Zij behoort immers tot dezelfde orde als de vraag of
de wereld werkelijk zo goed is als haar Schepper dit bevestigde
telkens Hij iets nieuws in het aanschijn riep. Er staat niet
“God zei…”, maar “God zag dat het goed was”. Voorzeker is dat
‘zien’ van God oneindig veel groter en betekenisvoller – laten
we zeggen: heiliger, of liever: meer heiligend – dan om het even
welke vaststelling van de waarheid van een waardeoordeel. Wil een kunstenaar na het
zetten van zijn naam of initialen in een canvashoekje nog ooit
kunnen zeggen ‘dat het goed is’, dan moet hij eerst met een
heiligende intentie de wereld in zich hebben opgenomen. Of hij
het mooi vindt, wat hij daar achter liet op het doek, heeft geen
belang. Wat telt, is het klimaat waardoor ook een ander het
voorgestelde als een gaaf, precieus of minstens zorgbehoevend –
dit wil zeggen: ‘om bewaring smekend’ – geheel kan beschouwen.
Het echte artistieke werk bestaat uit de bovenzinnelijke
alchemie die ervoor zorgt dat de (aan het schilderen
voorafgaande) blik van de kunstenaar convergeert met die van de
toeschouwer (die alleen de postume hulde van de artiest onder
ogen krijgt). De Italiaanse schilder Giorgio
Morandi buitte die alchemie der blikken uit. In de besloten
wereld van zijn Bolognese kamer – die hij als een kluizenaarscel
had ingericht – schiep hij, met de hem kenmerkende ‘gemompelde’
kleuren, broze stillevens van immer de-zelfde flessen, dozen,
kannetjes, flacons en vaasjes. Morandi toonde zich hiermee niet
alleen als een uitstekend arrangeur, hij sloot eveneens een
alliantie met de bewonderaars van de geschilderde taferelen.
Maar dat laatste schuilt in een detail. Zoals de kijker zich schaamt om
de intimiteit van een harmonieus ogende ‘flaconnerie’ te
verbreken, zo signeerde Morandi zijn doeken. Schroomvol. De
zeven letters van zijn naam plaatste hij – meestal grijs op
grijs – in de nog natte verf van het tableau. In een onopvallend
kloosterhandschrift dat er zich angstvallig voor lijkt te hoeden
het gedrang van rillende, soms reikhalzende, maar altijd netjes
in het gelid marcherende voorwerpen te verstoren. Voor wie goed
kijkt, wordt echter duidelijk dat de plek en de grootte van de
signatuur feilloos werden gekozen om de lichtjes uit evenwicht
vallende compositie te herstellen. ‘Knap!’ denkt de
kunstliefhebber. Tot hij zich dan – na het bekijken van het
zoveelste schilderijtje – met een schok realiseert evenmin van
de zegenende nabijheid aan het kleine huishouden van een
mislukte brocanteur te worden ontslagen. Kan men daarom zeggen dat
schilder en toeschouwer een knipoog met elkaar uitwisse-len?
Eigenlijk niet. Dat zou oneerbiedig zijn ten overstaan van
voorwerpen die hun schamel-heid niet kunnen verhelen, én een
profanatie van de gewijde sfeer die als een sluier om de dingen
hangt. Het enige waartoe Morandi aanspoort, is de beoefening van
een zwijgzaamheid die de halo der dingen niet meer schendt. Zijn
stillevens getuigen in dit opzicht van een superieure vorm van
niet-begrijpen die de intense participatie juist mogelijk maakt.
Wie niet begrijpt, heeft
doorgaans meer gezien. Of beter, hij verhoogt de kans om precies
dat te zien wat onbegrijpelijk is: dat er een reden is om dingen
lief te hebben, een reden die alleen in volmaaktheid gedeeld
wordt met de Maker van alles wat bestaat. En waarin wordt die
kans behouden? In de daad van de liefde zelf, in de zorgzame
bejegening van om het even welk ding, als betrof het de ampullen
die met ingetogen gebaren van credenstafel naar altaar, en vice
versa, worden gebracht. Wat Morandi met stillevens
verkondigde, had Benedictus eeuwen geleden al aan de schrijfrol
toevertrouwd: “Behandel het hele kloostergoed – de gewone
gebruiksvoorwerpen zowel als de precaire, kostbare dingen – als
heilig vaatwerk.” Een oud vers van Leo Vroman, bedoeld als
aanbeveling voor al wie gedichten leest, kleeft zich moeiteloos
aan: “Laat uw blik hun innigste niet raken, / tenzij gij door de
liefde zijt gedreven.” Dit is het dan wat
kloosterlingen, die minnaars zonder geliefden en kunstenaars
zonder kunst, dag aan dag celebreren: de liturgie van het leven,
de dankmis om de sacraliteit van een wereld waarin hoe dan ook
het kleinste teken voor een aardverschuiving zorgt.
Giorgio
Morandi, Stilleven, 1956, olie op doek, 40,5 x 35,4 cm, Collectie
Giovanardi, Rovereto. Als tekenen de wereld doen
kantelen. Als de wurggreep der gebeurtenissen of de slagschaduw
der generaties de ‘schoonheid des levens’ ontzielt. Als de
eenling verbijsterd luistert naar het zwijgen en verzwijgen. Dan
rest ons enkel de geschiedenis bij haar (minder fraaie) naam te
noemen. Misschien moet maar eens eerst de schaduw aan de borst
gedrukt en de gevolgen getoond in een openbare confrontatie. Hoe
eerlijk het intieme zwijgen van Morandi dan ook moge zijn, het
spreken met grootse gebaren is vaak niet minder eerlijk. Van die
waarheid hoefde de Teutoonse kunstenaar Anselm Kiefer niet
overtuigd te worden. Zijn imposante oeuvre schreeuwt de
verschrikking uit. Mythen en verhalen, rouwmisbaar en collectief
geheugen komen er weer tot leven. In het leven van Benedictus is
de eerste stap die naar de vrijheid. De man uit Nursia maakt
zich los van vader, moeder en voedster en trekt zich terug in
een grot ‘onderaan het meer’, Sublacus. Het is de monnik Romanus
die hem begeleidt in de onthechting. Achter dat eremietenbestaan
– duisternis van de ‘leeuwenkuil van David’ – zet het paasbezoek
van een priester echter een definitieve punt. De benedictijnse
purgatorio had drie jaar geduurd. Anselm Kiefer is een
vergelijkbare weg gegaan. Geboren in 1945 behoort hij tot de
generatie die de Tweede Wereldoorlog niet heeft meegemaakt. Om
vrij te kunnen worden, maakte hij eind jaren zestig een rondreis
door Europa waarbij hij zichzelf als erfgenaam van het nazisme
vereeuwigde. Gekleed in een kreukelig namaak uniform en met een
wilde haardos, schiep hij fotografische ‘zelfportretten met
Hitlergroet’. Op de plaatsen die hij bezocht, toeristische
bestemmingen, ging hij letterlijk tot een ‘Besetzung’ over. De
beelden riepen grote controverse op. Maar de onthechte en
worstelende Kiefer kreeg weinige tijd later een bijsturende gids
in de persoon van Paul Celan, een joods-Roemeense en Duitstalige
dichter die op een eigengereide manier het verleden een plaats
trachtte te geven (o.m. in zijn beroemde Todesfuge). De woorden
van Celan en de beelden van Kiefer komen samen in een
historische verwerking (‘Verarbeitung’). Kiefers werk uit de jaren
zeventig en tachtig tonen het landschap en de architectuur als
het rouwende geheugen van de Duitse geschiedenis. De schilder is
onmiskenbaar bij zichzelf uitgekomen. De aarde, het stro, de
haren, het lood en het ijzer, de bundels brandhout, de boeken,
de vliegtuigen en de duikboten zijn niet langer alleen de
getuigen van de duistere kant van het Duitse verleden. Ze vormen
evengoed de materie van Kiefers persoonlijke verhaal. De ruwe
emulsies van verf verraden dat het gaat om een verleden dat
weegt als lood. Gelukkig heeft de schilder een beeldtaal ontdekt
die hanteerbaar blijkt: de taal van de romantiek, groots en
indrukwekkend in gebaar en presentie. Een taal waarin ook
bijbelse thema’s een onder-komen vinden. Ondergang en
vernietiging, schaduw en rouw krijgen in een voortdurende
uiteenzetting met de materie een specifieke vorm, een gezicht
waarin het verleden zich weer aandient. Tegelijk wordt de
kunstenaar én de beschouwer de kans geboden om de as en het stof
van het woord in een ultieme daad hun duistere meesterschap over
de geest te ontfutselen. Cisterciënzer monniken sluiten
evenmin de ogen voor de rouwranden van machts-wellust,
hypocrisie, jaloezie en hooghartigheid die hun geschiedenis
tekenen. Ze kennen de verschroeiende vlakten waarop sommigen van
hun voorgangers liepen: de fundamentalis-tische overmoed waarmee
Bernardus van Clairvaux tot de tweede kruistocht opriep, het
mis-bruik en de verkrachtingen, de gevangenschap en ontering van
jonge mannen en vrouwen in gesloten gemeenschappen door de
geschiedenis heen, de lichtzinnige oordelen en vooroor-delen die
het monastieke blazoen van tijd tot tijd hebben zwartgeblakerd
en geschonden, ... Die erfenis bonkt met een oorverdovend
gewelddadige slag op het geheugen van de stilte in. Ze vraagt om
erkenning, vergeving en zingeving. Maar de monnik deinst niet
terug voor de schrale akker. Hij trekt er de parallelle voren
van vloekpsalmen en klaagzangen in. En terwijl hij voortschrijdt
en schreeuwt en treurt, drukt hij een bundel brandhout dicht
tegen zich aan. Dat helpt om niet onder de last te bezwijken.
Mag het verbazing wekken dat zoveel cisterciënzerhuizen op
woeste, onvruchtbare grond verrezen? Of verscholen in een
immense drassige verzakking van het landschap? (Soms bij
slagvelden en tussen vuurlijnen die onnoemelijk leed hebben
gezaaid – Westvleteren en Tibhirine.) Er zijn er die werken in
hachelijke omstandigheden om het allerheiligste te eren en te
beschermen. Ze dragen met zich mee het leven, de dood én de
verrijzenis van Christus Jezus. Het ongrijpbare mysterie van
Jezus’ opstanding behoort niet tot de symbolische orde. Wie er
een puur overdrachtelijke betekenis aan hecht, miskent de ware
gebeurtenis. De wederopstan-ding heeft zijn grond in de
Drievuldigheid. Vader, Zoon en heilige Geest – vooralsnog aan
het menselijke verstand ontrokken – openen niettemin een woord
dat tot bekering aanzet. Wie dat woord ter harte neemt, verlangt
naar heling – zeg maar: opname in de liefdesgemeenschap van de
Drieëne. In de zuiverheid van het hart wil dit verlangen
aangeraakt en gekust worden. In het besef dat de ontmoeting met
de barmhartigheid een geschenk is dat nooit verdiend wordt door
eigen daden en inspanningen, kan de mens dus alleen nederig
vragen om genade. Al ontslaat dit hem natuurlijk niet van zijn
verantwoordelijkheid om talenten te ontplooien in dienst van het
geheel. In het jaar 1948 schilderde
Mark Rothko het doek No. 18. Rothko zag het levenslicht in 1903
in Rusland maar emigreerde in 1913 naar Amerika waar hij een
eigenzinnig oeuvre opbouwde. Eind jaren veertig – op een moment
waarop zijn schilderkunst nog volop in ontwikkeling is –
verwisselt Rothko de figuratieve voorstelling voor een abstracte
beeldtaal. Het meest opvallende is het mystieke en transcendente
aura waarmee de kunstenaar zijn nieuwste werken omgeeft. Zonder voorafgaand plan en
tastend in het on-bekende, mengt Rothko zijn pigmenten zelf om
ze ver-volgens in vele dunne lagen op het doek aan te brengen.
Het transparante resultaat van amorfe kleurblokken ver-telt dat
het onbenoembare niet langer onbereikbaar is. Al ontbreekt de
taal, de aanwezigheid van het ongekende toont zich. Niet zozeer
de vraag wat er bestaat en hoe het er uitziet of waar het
vandaan komt en naartoe zal gaan, staat op die werken af te
lezen, maar de verwondering dát iets bestaat wat voeding geeft
aan de eerbiedige aandacht voor een onnaspeurbaar mysterie. Zelf noemde Rothko zijn kunst
niet abstract maar een levend geheel dat ademt. Hij wilde
uitdrukking geven aan basale menselijke emoties die verband
houden met tragedie, extase, ondergang. ‘Mensen die staan te
huilen voor mijn schilderijen,’ zo beweerde hij, ‘hebben
dezelfde religieuze ervaring als ik toen ik ze schilderde.’ Later worden de schilderijen
steeds groter, de vormen eenvoudiger en de kleuren dieper.
Rothko probeerde niet alleen meer controle te krijgen over de
genese van zijn schilderijen maar ook over de presentatie ervan.
Die zelfopgelegde taak moet teveel gevergd hebben van de
kunstenaar. Toen persoonlijke problemen de gemoedsgesteltenis
van een gekwetst, onmachtig en leeggedronken ego kwamen
bezwaren, zag Rothko geen andere oplossing meer dan zijn lijden
te beëindigen door zelfdoding (1970).
Maar er klopt iets niet, zal
een beetje iconograaf onmiddellijk opmerken. Scheppen vanuit de
ervaring van een innerlijke wereld, heeft ook tot doel iets
anders te doen oplichten dat de hartstocht van de verliefde
minnaar waard is. In het contact met het onvervreemdbare en
onaantastbare Andere volstaat het niet te luisteren naar wat de
stem van het hart zegt om te weten wat er medegedeeld wordt. Er
is ook meditatie nodig – een vorm van discipline die erop
berekend is nu eens weerwerk, dan weer bemoediging te ontvangen
van het voorwerp van beschouwing. Zou Alexej Jawlenski, die
andere Russische kunstenaar van het abstracte expressionisme,
dat niet begrepen hebben toen hij zijn in serie geschilderde
Meditaties als één grote synthese opvatte van zijn vroegere
portretten die hij gemakshalve Abstracte Koppen, Mystieke
Hoofden of Heilandsgezichten had genoemd? Rothko was een religieuze
monade die in zijn betrachting om op geen enkele wijze een
sta-in-de-weg te zijn voor de toeschouwer, gedurig het gevaar
liep gereduceerd te worden tot een amoebe die kansloos
opgeslorpt wordt door zijn eigen schepping. Jawlenski was een
monnik die uit zijn kunst twee schijnbaar tegengestelde
boodschappen meende te ontdekken, berichten die pas in een
doorgedreven vereenvoudiging en abstractie perfect gelijkluidend
bleken. De lieflijke mare is het nieuws dat aanvankelijk
beperkend klonk. Zoiets ontdekt de broeder en zuster van
Benedictus ook wanneer hij of zij in het gelaat van de gast of
de bezoeker probeert af te lezen wat bedoeld wordt met twee
aanbevelingen uit de Regel: “Niets stellen boven Christus” en
“nooit wanhopen aan Gods barmhartigheid”. Waar een glimlach een kruis
verbergt en een kruis een blijk van grenzeloze liefde wordt,
daar is de alchemie van het monachisme tot volmaaktheid
gebracht. Christus is het vlees en bloed, de menselijke emotie
in de goddelijke aanwezigheid. De weerloze oproep tot erkenning
en het sterkste teken ter bemoediging. De begaanbare én goed
afgebakende Weg. |